Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten
Wanneer u letselschade oploopt door een ongeval waarvoor een ander aansprakelijk is, heeft u recht op vergoeding van uw schade. Tegelijkertijd rust op u als slachtoffer een verplichting om uw schade te beperken, zoals vastgelegd in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verplichting geldt echter alleen voor zover het redelijkerwijs van u kan worden verwacht. Maar hoe ver gaat deze plicht? En wanneer mag een verzekeraar stellen dat u uw schade onvoldoende heeft beperkt?
Een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2019 geeft hierover belangrijke duidelijkheid, met name in situaties waarin een slachtoffer instemt met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst na een ongeval. Deze zaak illustreert ook hoe rechters concrete omstandigheden meewegen bij de beoordeling van de schadebeperkingsplicht, zoals het type werkgever, de financiële situatie van het bedrijf en persoonlijke relaties.
Het ongeval en de arbeidsvermogensschade
Het slachtoffer raakte als bestuurder van een scooter betrokken bij een aanrijding. De verzekeraar van de tegenpartij erkende aansprakelijkheid. Door het ongeval liep het slachtoffer letsel op waardoor hij zijn werkzaamheden nauwelijks nog kon verrichten. Voor het ongeval werkte hij in het restaurant van zijn vader en broer, een klein familiebedrijf. Tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid stemde hij in met de beëindiging van zijn dienstverband, waardoor hij geen loon meer ontving.
Het slachtoffer claimde de arbeidsvermogensschade bij de aansprakelijke verzekeraar. De verzekeraar weigerde vergoeding en voerde aan dat het verlies van inkomen het gevolg was van een eigen keuze van het slachtoffer en dat hij zijn schadebeperkingsplicht had geschonden.
Argumenten van de verzekeraar en relevante rechtspraak
De verzekeraar stelde dat het slachtoffer zijn schade had kunnen beperken door bij de werkgever aanspraak te maken op loondoorbetaling en een actieve inzet voor re-integratie. Verwezen werd daarbij impliciet naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad waarin werd benadrukt dat een slachtoffer verplicht is om redelijke maatregelen te nemen om schade te beperken, maar dat dit afhankelijk is van de concrete omstandigheden.
Daarnaast bracht de verzekeraar naar voren dat, indien het dienstverband niet was beëindigd, de werkgever het loon had doorbetaald en de re-integratie had gefaciliteerd, waardoor de schade lager zou zijn geweest. De verzekeraar baseerde zich hier op artikel 6:107a BW, dat regelt dat de werkgever regres kan nemen op de aansprakelijke partij voor doorbetaald loon en gemaakte kosten.
Argumenten van het slachtoffer
Het slachtoffer bracht daartegenin dat het restaurant als klein familiebedrijf niet de middelen had om zowel zijn loon door te betalen als een vervanger in te huren. Het zou het voortbestaan van het bedrijf in gevaar hebben gebracht en de relatie met zijn familie ernstig belasten. Van hem kon in deze omstandigheden niet worden verwacht dat hij het bedrijf deze druk zou opleggen. Bovendien leidde zijn keuze niet tot extra schade voor de verzekeraar; door de wettelijke regresregeling zou het doorbetaalde loon in elk geval zijn verhaald op de aansprakelijke verzekeraar.
Deze overweging sluit aan bij de lijn van voorgaande jurisprudentie, waarin het Hof oordeelde dat de schadebeperkingsplicht niet onredelijk zwaar kan worden gelegd op het slachtoffer en rekening moet houden met persoonlijke en sociale omstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelde allereerst vast dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de arbeidsvermogensschade. Het was juist het ongeval dat ertoe had geleid dat het slachtoffer zijn werkzaamheden niet meer kon uitvoeren en genoodzaakt was in te stemmen met beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. De arbeidsvermogensschade vloeit dus rechtstreeks voort uit het ongeval.
Wat betreft de schadebeperkingsplicht oordeelde de rechtbank dat deze altijd afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Vanwege de financiële situatie van het familiebedrijf en de persoonlijke relaties kon niet van het slachtoffer worden verwacht dat hij druk zou zetten op het bedrijf om zijn loon door te betalen en re-integratie af te dwingen. Zijn keuze was begrijpelijk en redelijk en kan hem juridisch niet worden tegengeworpen. Bovendien lag het op de weg van de verzekeraar om aannemelijk te maken dat het aandringen op loondoorbetaling en re-integratie daadwerkelijk tot minder schade had geleid, wat zij niet deed.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het slachtoffer door instemming met de beëindiging van het dienstverband zijn schadebeperkingsplicht niet had geschonden.
Het belang van gespecialiseerde letselschadejuristen
Deze zaak laat maar weer eens zien hoe lastig kwesties rondom de schadebeperkingsplicht kunnen zijn. Wat een verzekeraar logisch acht, kan voor een slachtoffer onredelijk of zelfs onmogelijk zijn. Juridische begeleiding is daarom een must.
Stipt Letselschade beschikt over ervaren letselschadejuristen die precies weten hoe zij moeten beoordelen of een beroep op de schadebeperkingsplicht terecht is. Zij zorgen ervoor dat verzekeraars slachtoffers niet onterecht korten op hun schadevergoeding en dat de belangen van het slachtoffer volledig worden behartigd. Heeft u vragen over de schadebeperkingsplicht of wilt u uw letselschade laten verhalen? Neem vrijblijvend contact met ons op.