• Landelijk werkzaam
  • Persoonlijk bezoek
  • Één vast aanspreekpunt
  • Gratis rechtshulp

Bezitter van parkeerterrein aansprakelijk voor letselschade na struikelval

Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten

Op 24 mei 2022 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bezitter van een parkeerterrein na een ernstige struikelval van een voetganger. Het arrest is interessant omdat het duidelijk maakt hoe belangrijk de feitelijke toedracht is én hoe het leerstuk van de gebrekkig opstal in de praktijk wordt toegepast. Daarbij spelen de bekende Kelderluik-criteria een centrale rol.

De achtergrond van het ongeval
In maart 2015 parkeerde het slachtoffer zijn auto op het parkeerterrein van ABN AMRO. Na afloop van zijn afspraak liep hij terug richting zijn auto. Tijdens die wandeling kwam hij ten val en liep hij een incomplete dwarslaesie op, met ingrijpende en blijvende gevolgen.

Het slachtoffer stelde de bezitter van het parkeerterrein aansprakelijk op grond van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek. Volgens hem was hij gestruikeld over een betonnen parkeerdrempel, een zogeheten biggenrug. Die biggenrug, dan wel de inrichting van het parkeerterrein als geheel, zou volgens het slachtoffer gebrekkig zijn. De bezitter betwistte dat. Volgens hem stond niet vast dat het slachtoffer over de biggenrug was gestruikeld en had het slachtoffer bovendien zelf beter moeten opletten. Mogelijk was hij simpelweg onhandig geweest of over zijn eigen voeten gevallen.

Juridisch kader: wanneer is een parkeerterrein gebrekkig?
Artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek biedt grondslag voor aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal wanneer dat opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Bij de beoordeling of sprake is van een gebrekkig opstal sluiten rechters aan bij het leerstuk van gevaarzetting en de zogenoemde Kelderluik-criteria. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het te verwachten gebruik van het terrein, de kans dat gebruikers onvoldoende oplettend zijn, de waarschijnlijkheid en ernst van het gevaar en de mogelijkheden om veiligheidsmaatregelen te treffen.

Oordeel van de rechtbank in eerste aanleg
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het parkeerterrein niet gebrekkig was. De enkele aanwezigheid van biggenruggen en de indeling van het terrein vormden volgens de rechtbank geen onaanvaardbaar risico. De biggenruggen waren zichtbaar en van een voetganger mocht worden verwacht dat hij daarop bedacht was. Bovendien liep het slachtoffer tussen geparkeerde auto’s door in plaats van eromheen, wat extra voorzichtigheid vereiste. De vordering van het slachtoffer werd daarom afgewezen.

Het hof beoordeelt de zaak opnieuw
In hoger beroep kwam het hof tot een andere beoordeling. Anders dan de rechtbank vond het hof de toedracht van het ongeval wél van belang. Eerst moest worden vastgesteld wat er precies was gebeurd en waardoor het slachtoffer was gevallen.

Aan de hand van de verklaring van het slachtoffer en meerdere getuigen achtte het hof bewezen dat het slachtoffer daadwerkelijk was gestruikeld en voorover was gevallen. Vervolgens beoordeelde het hof of deze struikelval ook was veroorzaakt door de biggenrug. Hoewel het slachtoffer niet had gezien waar hij precies over struikelde, achtte het hof dit wel aannemelijk. Foto’s die kort na het ongeval waren gemaakt lieten zien dat een geparkeerde auto deels over de biggenrug stond, waardoor deze minder goed zichtbaar was. Andere mogelijke oorzaken voor de val waren niet gebleken. Daarmee stond het causale verband vast.

Gebrekkigheid van het parkeerterrein volgens het hof
Vervolgens beoordeelde het hof of het parkeerterrein gebrekkig was. Daarbij werd zwaargewicht toegekend aan een deskundigenrapport van een verkeersexpert. Uit dat rapport bleek dat de inrichting van het terrein onlogisch was en voetgangers feitelijk dwong om tussen de auto’s door te lopen. Een andere indeling had meer loopruimte kunnen creëren en het gebruik van biggenruggen zelfs overbodig kunnen maken.

Het hof oordeelde dat biggenruggen naar hun aard struikelgevaar opleveren en dat de kans op een ongeval niet verwaarloosbaar was. Door het beperkte kleurcontrast met het wegdek en de aanwezigheid van schaduw waren de drempels bovendien lastig waarneembaar. Tegelijkertijd had de bezitter relatief eenvoudige maatregelen kunnen treffen om het risico te beperken, zoals het aanbrengen van markeringen of het aanpassen van de inrichting. Omdat dit niet was gebeurd, kwalificeerde het hof het parkeerterrein als gebrekkig en achtte het de bezitter aansprakelijk voor de schade.

Eigen schuld van het slachtoffer
Hoewel de bezitter aansprakelijk werd geacht, bleef het daar niet bij. Het hof oordeelde dat ook het slachtoffer een verwijt kon worden gemaakt. Het lopen tussen geparkeerde auto’s door is geen vanzelfsprekende looproute en daarbij mag van een voetganger extra oplettendheid worden verwacht. Daarnaast is het algemeen bekend dat op parkeerterreinen obstakels zoals biggenruggen kunnen voorkomen.

Het hof kwam daarom tot de conclusie dat sprake was van eigen schuld. Zestig procent van de schade moest door de bezitter worden vergoed, terwijl veertig procent voor rekening van het slachtoffer bleef.

Juridisch advies
De kwestie de we bespraken maakt weer eens duidelijk dat letselschadezaken vaak ingewikkeld zijn. In de praktijk blijkt dat deskundige juridische begeleiding het verschil kan maken tussen afwijzing van een claim en een (aanzienlijke) schadevergoeding. De specialisten van Stipt Letselschade staan klaar om u te helpen. Wilt u weten waar u aan toe bent of bespreken of uw schade voor vergoeding in aanmerking komt, neem dan vrijblijvend contact op met onze experts.

Gratis hulp en advies
  • Binnen 24 uur contact
  • Eén vast aanspreekpunt
  • Persoonlijke aanpak
  • Gratis rechtshulp
  • Landelijk werkzaam

    Gratis hulp en advies
    (c) copyright Stipt letselschade | Klachtenregeling | Algemene Voorwaarden | Sitemap | Privacyverklaring