Door: Lisa Fluit
Leestijd: 4 minuten
U huurt woonruimte via uw werk, loopt een trap af bij uw tijdelijke verblijf en komt hard ten val. Wie is er dan verantwoordelijk voor de geleden schade? De bezitter van de woning, de verhuurder, de uitzendorganisatie of de verzekeraar? De Rechtbank Gelderland gaf daar op 4 februari 2026 een helder antwoord op in een deelgeschilprocedure. De ceIn deze zaak stond centraal of een uitzendkracht die van een buitentrap bij tijdelijke woonruimte viel, zijn schade kon verhalen op de bezitter van de opstal. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek en dat juist de bezitter aansprakelijk was, niet de bedrijfsmatige gebruiker als bedoeld in artikel 6:181 Burgerlijk Wetboek.
De verzoeker werkte als uitzendkracht en verbleef in een vakantiewoning in Maurik. Die woning was eigendom van Waterparcs. De woning werd via een verhuurconstructie gebruikt voor huisvesting van arbeidskrachten. Waterparcs verhuurde aan E&E Accomodations B.V. en zijn verhuurden door aan WSSD. WSSD stelde de woning op diens beurt beschikbaar aan de werknemer.
Op 3 juli 2022 viel de werknemer van de stenen buitentrap bij de woning. Daarbij liep hij letsel op aan zijn rug, borstbeen en een borstwervel. Volgens hem was de trap instabiel, ongelijk, beschadigd en gevaarlijk. Achmea, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Waterparcs liet onderzoek doen en wees vervolgens aansprakelijkheid af.
Volgens Achmea stond niet vast dat de trap op het moment van het ongeval daadwerkelijk gebrekkig was en was ook niet aan te tonen dat de val daardoor was veroorzaakt. De rechtbank moest dus beoordelen of de trap gebrekkig was, of die gebrekkigheid tot aansprakelijkheid leidde en op wie die aansprakelijkheid rustte.
De partijen probeerden er zelf uit te komen buiten de rechtszaal om. Maar er was één punt (de aansprakelijkheid) waar ze niet uitkwamen. Daarom werd de zaak als deelgeschil afgehandeld )op grond van artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarna zouden de onderhandelingen prima verder kunnen worden voortgezet.
Een belangrijk verweer was dat onduidelijk zou zijn van welke trap het slachtoffer precies was gevallen – er waren namelijk twee buitentrappen. De rechtbank oordeelde echter dat dat niet klopte. De verklaringen van het slachtoffer op dit gebied waren duidelijk. Ook het feit dat de verzekeraar juist die trap uitgebreid had onderzocht, zorgde ervoor dat voor de rechtbank de toedracht duidelijk was.
Een bezitter van een opstal is aansprakelijk wanneer die opstal niet voldoet aan de eisen die men er redelijkerwijs aan mag stellen, waardoor het gevaar voor personen of zaken oplevert (artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek). Daarbij moet objectief worden gekeken naar de veiligheid van de opstal, het te verwachten gebruik, de kans op gevaar en welke veiligheidsmaatregelen redelijkerwijs konden worden genomen.
In deze zaak vond de rechtbank dat de trap als geheel ondeugdelijk was. Uit het onderzoeksrapport en de verklaringen bleek dat het om een oude stenen trap ging met scheuren, ongelijke treden, afgebroken delen en een losliggende steen. Dat laatste was door de onderzoeker van Achmea zelf ook geconstateerd.
Volgens de rechtbank was het niet eens doorslaggevend of het slachtoffer precies over die ene losse steen was gevallen. De staat van de trap als geheel maakte het risico op vallen al groter dan normaal aanvaardbaar. Daarbij woog mee dat de woning werd gebruikt voor kortdurend verblijf. Juist dan mogen aan de veiligheid van een toegangstrap hogere eisen worden gesteld, omdat bewoners niet bekend zijn met plaatselijke gebreken of onregelmatigheden.
Waterparcs beriep zich op artikel 6:181 Burgerlijk Wetboek. Dat artikel kan ertoe leiden dat niet de bezitter van de opstal aansprakelijk is, maar degene die de opstal in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Waterparcs stelde dat de aansprakelijkheid daarom bij E&E of WSSD hoorde te liggen.
De rechtbank ging daar niet in mee. Zij oordeelde dat het gebrek aan de trap geen functioneel verband had met de bedrijfsuitoefening van E&E of WSSD. Het ging hier niet om een gebrek dat was ontstaan door de manier waarop die ondernemingen hun bedrijf dreven.
Het was een normaal bouwkundig gebrek aan de trap zelf. Bovendien had Waterparcs de woning eerder gerenoveerd, was volgens het onderzoeksrapport eindverantwoordelijk voor grote onderhoudswerkzaamheden en zorgde voor herstel van geconstateerde gebreken. Dat is juridisch van groot belang. Wie op die manier zeggenschap houdt over het gebrek en verantwoordelijk is voor herstel, kan zich niet eenvoudig achter een verhuurconstructie verschuilen. De rechtbank concludeerde daarom dat niet E&E of WSSD, maar Waterparcs als aansprakelijk was op grond van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek.
Deze beschikking is relevant voor letselschadezaken rondom huisvesting van arbeidsmigranten, tijdelijke woonruimte en gebreken aan opstallen. De uitspraak maakt duidelijk dat een bezitter niet snel onder aansprakelijkheid uitkomt door te wijzen naar een huurder, onderverhuurder of uitzendorganisatie. Zeker niet wanneer het gebrek een normaal bouwkundig gebrek is en de bezitter de zeggenschap over onderhoud en veiligheid heeft behouden.
Voor slachtoffers is dat belangrijk. In de praktijk wordt aansprakelijkheid in dit soort zaken geregeld afgeschoven binnen een keten van partijen. Deze uitspraak laat zien dat de rechter scherp kijkt naar de feitelijke zeggenschap over de opstal en naar het verband tussen het gebrek en de bedrijfsuitoefening.
Heeft u letsel opgelopen door een val in of rondom een woning, vakantieverblijf of tijdelijke huisvesting en wilt u weten wie aansprakelijk is? De experts van Stipt Letselschade kijken graag met u mee. Wilt u eerst snel inzicht in uw situatie? Doe dan de gratis letselschadetest.