Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten
Wanneer u letselschade oploopt, heeft u vaak jarenlang te maken met medische dossiers, schadeberekeningen, verzekeraars en juridische discussies. Het kiezen van een belangenbehartiger is daarom geen formaliteit, maar een belangrijke beslissing. Het vertrouwen tussen slachtoffer en belangenbehartiger vormt vaak de basis van een succesvolle schaderegeling. Maar wat gebeurt er als een verzekeraar weigert met uw belangenbehartiger samen te werken?
In een belangrijke uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2026 stond precies die vraag centraal. Het hof oordeelde dat verzekeraar ASR een letselschadekantoor niet zonder voldoende onderbouwing mocht uitsluiten als belangenbehartiger van slachtoffers. Daarmee bevestigt het hof een fundamenteel uitgangspunt binnen het letselschaderecht: de keuze voor een belangenbehartiger ligt in beginsel bij het slachtoffer en niet bij de verzekeraar.
Het geschil ontstond nadat ASR had besloten niet langer samen te werken met Constans Letselschade. Volgens de verzekeraar was dit kantoor feitelijk een voortzetting van een eerder letselschadekantoor dat door meerdere verzekeraars was opgenomen in het Extern Verwijzingsregister (EVR) wegens vermeende misstanden bij de behandeling van letselschadedossiers.
ASR stelde zich op het standpunt dat daardoor onvoldoende vertrouwen bestond in een integere behandeling van dossiers. Het gevolg was verstrekkend: ASR wilde niet langer corresponderen met het kantoor, geen buitengerechtelijke kosten meer vergoeden en uitsluitend nog rechtstreeks communiceren met de slachtoffers zelf. Het betrokken letselschadekantoor en vier slachtoffers stapten daarop naar de rechter.
Het hof begint zijn beoordeling met een juridisch belangrijk uitgangspunt: een slachtoffer mag in beginsel zelf bepalen door wie hij of zij wordt vertegenwoordigd. Die vrijheid vloeit voort uit het algemene beginsel van contractsvrijheid en het recht om eigen juridische bijstand te kiezen. Dat uitgangspunt speelt binnen letselschadezaken een bijzondere rol. Een schaderegeling kan jaren duren. Slachtoffers delen medische informatie, financiële gegevens en persoonlijke omstandigheden met hun belangenbehartiger. Juist daarom is een vertrouwensrelatie essentieel. Het hof benadrukt dat een verzekeraar die keuze niet lichtvaardig mag doorkruisen. Alleen wanneer daarvoor zwaarwegende en objectief vast te stellen redenen bestaan, kan een weigering gerechtvaardigd zijn.
De uitspraak biedt tegelijkertijd inzicht in situaties waarin een verzekeraar mogelijk wel mag ingrijpen.
Volgens het hof kunnen daarvoor goede redenen bestaan wanneer een belangenbehartiger:
Deze overweging sluit nauw aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek moet een belangenbehartiger immers handelen als een goed opdrachtnemer. Daarnaast geldt binnen de letselschadepraktijk dat buitengerechtelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien zij voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek-.
Dat betekent dat zowel het inschakelen van de belangenbehartiger als de omvang van de gemaakte kosten redelijk moeten zijn.
De kern van deze procedure was echter dat ASR haar bezwaren niet concreet kon onderbouwen. Het hof constateerde dat de verzekeraar vooral wees op het verleden van een ander kantoor en op de omstandigheid dat enkele medewerkers eerder daar werkzaam waren geweest. Dat bleek onvoldoende. Niet was aangetoond dat de medewerkers van het nieuwe kantoor zelf betrokken waren geweest bij de gedragingen die tot de EVR-registratie hadden geleid.
Evenmin kon ASR concrete voorbeelden aandragen van fraude, misleiding of structureel onzorgvuldig handelen binnen het nieuwe kantoor. Volgens het hof mogen vermoedens, associaties en speculaties niet de basis vormen voor een weigering. Een verzekeraar zal moeten aantonen dat er daadwerkelijk gegronde redenen bestaan om te vrezen dat het schaderegelingsproces niet zorgvuldig zal verlopen. Dat bewijs ontbrak.
Opvallend is dat het hof uitgebreid stilstaat bij de kwaliteitseisen die aan letselschadeprofessionals mogen worden gesteld. Onder verwijzing naar onderzoek van het WODC benadrukt het hof dat een belangenbehartiger moet beschikken over juridische kennis, inzicht in medische vraagstukken, kennis van schadevaststelling, onderhandelingsvaardigheden en voldoende communicatieve vaardigheden om slachtoffers gedurende het gehele traject te begeleiden.
Daarnaast mogen verzekeraars verwachten dat een belangenbehartiger investeert in opleiding, kwaliteitsborging, klachtenprocedures en beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen. Juist op dat punt bleek uit onafhankelijke audits dat het betrokken kantoor actief werkte aan verdere professionalisering, opleidingen en aansluiting bij erkende kwaliteitsnormen binnen de branche. Het hof zag daarin juist een aanwijzing dat sprake was van een serieuze en professionele organisatie.
Deze uitspraak raakt aan een fundamenteel evenwicht binnen het letselschaderecht. Enerzijds hebben verzekeraars een legitiem belang bij fraudebestrijding en kwalitatieve schaderegeling. Anderzijds mogen slachtoffers niet het risico lopen dat een verzekeraar bepaalt welke belangenbehartiger zij wel of niet mogen inschakelen.
Het hof maakt duidelijk dat de bescherming van slachtoffers zwaar weegt. Een verzekeraar kan een belangenbehartiger niet uitsluiten enkel vanwege vermoedens of vanwege het verleden van een andere organisatie. Alleen concrete feiten en objectieve aanwijzingen kunnen een dergelijke maatregel rechtvaardigen.
Voor slachtoffers betekent dit dat zij in beginsel zelf de regie behouden over de keuze van hun belangenbehartiger. Dat is belangrijk, omdat juist die keuze vaak bepalend is voor de kwaliteit en het verloop van de schaderegeling.
Wilt u juridische ondersteuning na een ongeval? Doe dan vrijblijvend de gratis letselschadetest. U ontvangt snel inzicht in uw juridische positie en de mogelijkheden om uw schade te verhalen. Stipt letselschade is u graag van dienst.