Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten
Een warme zomerdag, een verkoelend meer en een onschuldige duik. Wat begint als ontspanning, kan in een fractie van een seconde omslaan in een levensveranderend ongeval. Maar wie draagt in zo’n situatie de verantwoordelijkheid? De rechtbank Limburg gaf op 26 oktober 2023 een duidelijk, maar genuanceerd antwoord op die vraag.
Op 12 juni 2020 ging een 16-jarige jongen met vrienden zwemmen in een natuurgebied in Limburg. Het betrof een plek waar zij niet eerder waren geweest. Aangemoedigd door zijn vrienden rende hij het water in en dook, zonder te controleren hoe diep het was. Het water bleek ondiep. De gevolgen waren desastreus: een gebroken nek en een hoge dwarslaesie. De impact van het ongeval is moeilijk te overschatten. Niet alleen voor het slachtoffer zelf, maar ook voor zijn directe omgeving. De juridische vraag die vervolgens op tafel kwam, is even ingrijpend: had dit voorkomen kunnen worden?
De benadeelde stelde dat de beheerder van het natuurgebied – het Landschap – en haar verzekeraar Nationale-Nederlanden aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Volgens hem was sprake van onrechtmatige gevaarzetting.
Bij die beoordeling spelen de zogenoemde Kelderluik-criteria een centrale rol. Deze criteria, ontwikkeld in de rechtspraak, draaien om de vraag hoe waarschijnlijk onoplettend gedrag is, hoe groot het risico op ongevallen is, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn en hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te nemen.
Volgens de benadeelde was het risico voorzienbaar. Het natuurgebied werd, zeker tijdens de coronazomer van 2020, intensief gebruikt door jongeren om te zwemmen. Het Landschap wist dat het water op veel plekken ondiep was. En juist jongeren nemen niet altijd de nodige voorzichtigheid in acht. Een eenvoudige maatregel, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden, had volgens hem het verschil kunnen maken.
Het Landschap en Nationale-Nederlanden voerden aan dat het gebied geen officiële zwemlocatie is. Het werd ook niet als zodanig gepromoot en voldeed dus niet aan de eisen die voor zwemwater gelden. Bezoekers betraden het gebied bovendien op eigen risico, zo stond aangegeven bij de ingang. Daarnaast wezen zij op het gedrag van de benadeelde zelf. Hij dook in troebel water zonder zicht op de diepte. Dat werd gekwalificeerd als roekeloos gedrag, waarvoor het Landschap niet verantwoordelijk zou moeten zijn. Bovendien zou het plaatsen van borden niet hebben voorkomen dat hij toch was gesprongen.
De rechtbank maakte korte metten met een aantal van deze verweren. Dat het geen officiële zwemlocatie was, betekent niet dat er geen zorgplicht bestaat. Doorslaggevend was dat het meer feitelijk wel werd gebruikt om te zwemmen en dat dit ook bekend was bij het Landschap.
Juist in de context van de coronapandemie, waarin officiële zwemplekken gesloten waren, was het voorzienbaar dat jongeren massaal naar dit soort plekken uitweken. Het risico op ongevallen door duiken in ondiep water was daarmee reëel en concreet.
Volgens de rechtbank had het Landschap dit gevaar moeten onderkennen en daar passende maatregelen tegenover moeten stellen. Algemene borden met teksten als “betreden op eigen risico” of “geen zweminrichting” werden onvoldoende geacht. Specifieke waarschuwingen voor ondiep water ontbraken. Daarmee oordeelde de rechtbank dat het Landschap haar zorgplicht had geschonden en sprake was van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek.
Vervolgens kwam de vraag aan bod of het ongeval voorkomen had kunnen worden. De rechtbank achtte aannemelijk dat duidelijke waarschuwingsborden de benadeelde hadden kunnen weerhouden van zijn duik. Daarmee was het causaal verband gegeven.
Toch bleef ook het gedrag van de benadeelde niet buiten beschouwing. Hij had zelf beter moeten opletten en had kunnen controleren hoe diep het water was. De rechtbank stelde daarom vast dat sprake was van 50 procent eigen schuld in de zin van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek
Maar daar bleef het niet bij. Vanwege de ernst van het letsel en de jonge leeftijd van het slachtoffer werd de zogeheten billijkheidscorrectie toegepast. Uiteindelijk werd de vergoedingsplicht van het Landschap en Nationale-Nederlanden vastgesteld op 80 procent.
Deze uitspraak toont aan dat aansprakelijkheid bij ongevallen in de openbare ruimte sterk afhankelijk is van de concrete omstandigheden. Niet alleen de feitelijke situatie, maar ook de maatschappelijke context – zoals de coronaperiode – kan doorslaggevend zijn.
Voor beheerders van natuurgebieden betekent dit dat zij alert moeten zijn op feitelijk gebruik en de risico’s die daarmee gepaard gaan. Voor slachtoffers laat deze zaak zien dat er, ook bij eigen onvoorzichtigheid, ruimte kan zijn voor schadevergoeding.
Heeft u te maken met letselschade na een ongeval in de openbare ruimte en vraagt u zich af wie aansprakelijk is? Laat u dan goed adviseren. De specialisten van Stipt Letselschade staan voor u klaar om uw situatie te beoordelen. Via hun website kunt u bovendien vrijblijvend een gratis letselschade test doen en direct inzicht krijgen in uw juridische positie.