Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten
Een arbeidsongeval kan grote gevolgen hebben, zeker wanneer eenvoudige veiligheidsmaatregelen het letsel mogelijk hadden kunnen voorkomen. Dat bleek uit een uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 10 december 2008. Een werknemer liep tijdens werkzaamheden aan boord van een zeeschip ernstig oogletsel op nadat een metaalsplinter in zijn rechteroog terechtkwam. De rechtbank oordeelde dat zijn werkgevers hun zorgplicht hadden geschonden en kende een schadevergoeding toe van USD 160.000, vermeerderd met wettelijke rente.
De werknemer, afkomstig uit Litouwen, werkte als werktuigkundige op een Nederlandse vistrawler. Tijdens een zeereis kreeg hij opdracht om een vastgelopen lager van een sorteermachine te vervangen. Bij deze werkzaamheden kwam een metaalsplinter in zijn rechteroog terecht. Zijn oog werd aan boord uitgespoeld en enkele dagen later bezocht hij in Marokko een arts, maar de klachten namen toe. Uiteindelijk werd hij teruggebracht naar Litouwen, waar de metaalsplinter tijdens een operatie uit zijn oog werd verwijderd. De beschadiging was zo ernstig dat zijn natuurlijke ooglens moest worden vervangen door een kunstlens.
De gevolgen bleven niet beperkt tot de medische behandeling. Volgens medische rapportages bedroeg zijn totale gezichtsverlies 35 procent en werd zijn arbeidsongeschiktheid geschat op 40 tot 45 procent. Ook kon hij niet meer terugkeren naar het relatief goedbetaalde werk dat hij eerder op zeeschepen verrichtte, waardoor hij aanzienlijke financiële schade stelde te lijden.
Centraal stond de vraag of de werkgevers voldoende hadden gedaan om het ongeval te voorkomen. Artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek verplicht een werkgever om de werkomgeving, werktuigen en gereedschappen zo veilig mogelijk in te richten en maatregelen en aanwijzingen te geven die redelijkerwijs nodig zijn om schade tijdens het werk te voorkomen.
De rechtbank benadrukte dat deze zorgplicht ver gaat. Een werkgever mag er niet zonder meer van uitgaan dat een ervaren werknemer zelf alle risico’s inschat en voortdurend foutloos werkt. Juist ook bij routinewerkzaamheden moet rekening worden gehouden met onoplettendheid en menselijke fouten.
Vaststond dat de werknemer tijdens het ongeval geen veiligheidsbril droeg. Volgens de werkgevers had hij tegen de instructies in met een slijptol gewerkt, terwijl de werknemer verklaarde dat hij een hamer gebruikte. Dat verschil was belangrijk, omdat de werkgevers zich op het standpunt stelden dat de werknemer bewust roekeloos had gehandeld.
De rechtbank volgde dat verweer niet. Uit verklaringen die kort na het ongeval waren opgesteld bleek juist dat een hamer was gebruikt. Bovendien konden de werkgevers onvoldoende bewijzen dat de werknemer bewust veiligheidsinstructies had genegeerd. Van bewuste roekeloosheid was daarom geen sprake.
De rechtbank vond dat van de werkgevers mocht worden verwacht dat zij standaard een veiligheidsbril beschikbaar stelden en het gebruik daarvan verplichtten bij werkzaamheden waarbij oogletsel kon ontstaan. Een veiligheidsbril werd gezien als een eenvoudige, goedkope en voor de hand liggende maatregel.
Dat de werknemer de werkzaamheden vaker uitvoerde en ervaring had, maakte dat niet anders. Volgens de rechtbank moet een werkgever er juist rekening mee houden dat werknemers bij terugkerende werkzaamheden niet voortdurend volledig geconcentreerd zijn. Het ontbreken van voldoende veiligheidsmaatregelen kwam daarom voor rekening van de werkgevers.
Een werkgever kan aan aansprakelijkheid ontkomen als hij kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Die laatste drempel ligt hoog. Een fout maken, even niet opletten of een veiligheidsmaatregel niet toepassen betekent niet automatisch dat een werknemer zelf voor de schade opdraait.
In deze zaak kon niet worden bewezen dat de werknemer zich bewust was van het concrete gevaar en desondanks doelbewust dat risico had genomen. De rechtbank oordeelde daarom dat de werkgevers aansprakelijk waren voor de schade die uit het arbeidsongeval voortvloeide.
Het exact berekenen van de schade was ingewikkeld, omdat de werknemer in Litouwen woonde, met tijdelijke arbeidscontracten werkte en zijn inkomen in Amerikaanse dollars ontving. Daarom schatte de rechtbank de totale schade.
De werkgevers werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van USD 160.000,00 vermeerderd met wettelijke rente. In dit bedrag was ook immateriële schade opgenomen. Het smartengeld werd door de rechtbank gewaardeerd op € 15.000,00.
Heeft u tijdens uw werk letsel opgelopen en twijfelt u of uw werkgever voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen? De letselschadespecialisten van Stipt letselschade kunnen uw situatie beoordelen, de aansprakelijkheid onderzoeken en u begeleiden bij het verhalen van uw letselschade. Wilt u eerst weten wat uw mogelijkheden zijn? Doe dan onze gratis letselschade test en krijg snel meer inzicht in uw situatie.