Door: Lisa Fluit
Leestijd: 3 minuten
Verkeersongevallen worden in het aansprakelijkheidsrecht doorgaans beoordeeld aan de hand van duidelijke verkeersnormen. Maar wat gebeurt er wanneer een ongeval plaatsvindt in een situatie waarin betrokkenen zelf bewust risicovol gedrag vertonen, bijvoorbeeld tijdens stunts of speels rijgedrag met voertuigen? In dergelijke gevallen kan de juridische beoordeling aanzienlijk complexer worden. Een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant laat zien dat in een zogenoemde sport- en spelsituatie een andere maatstaf kan gelden voor aansprakelijkheid. In deze blog wordt uiteengezet hoe de rechter dergelijke situaties beoordeelt en welke rol het leerstuk van de onrechtmatige daad en de Kelderluik-criteria daarbij spelen.
In het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht vormt artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek het uitgangspunt voor aansprakelijkheid bij schade door onrechtmatig handelen. Volgens dit artikel is degene die een onrechtmatige daad pleegt verplicht de schade te vergoeden die daardoor ontstaat. Van een onrechtmatige daad kan sprake zijn wanneer iemand handelt in strijd met een wettelijke plicht, een recht van een ander schendt of handelt in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Bij de beoordeling of een gedraging onrechtmatig is, maakt de rechter vaak gebruik van de zogeheten Kelderluik-criteria. Deze criteria zijn ontwikkeld door de Hoge Raad in het bekende Kelderluik-arrest. In dit arrest werd bepaald dat bij gevaarzettende situaties onder meer moet worden gekeken naar de kans op een ongeval, de ernst van mogelijke gevolgen en de mate van oplettendheid die van anderen mag worden verwacht.
In de zaak die hier centraal staat vond een aanrijding plaats tussen een BMW en een motor op een parkeerterrein. Beide bestuurders liepen schade op. De motorbestuurder stelde dat het ongeval volledig te wijten was aan de automobilist, die volgens hem driftend tegen zijn motor was aangereden. Daarom werd een deelgeschilprocedure gestart met het verzoek om de verzekeraar van de automobilist aansprakelijk te verklaren voor de schade.
Uit de feiten bleek echter dat de situatie voorafgaand aan het ongeval aanzienlijk afweek van een normale verkeerssituatie. De betrokken automobilist en meerdere motorrijders voerden namelijk gedurende enige tijd stunts uit op het parkeerterrein.
Daarbij werd onder meer gedrift met de auto, werden wheelies gemaakt met motoren en reden de voertuigen kriskras door elkaar. De rechtbank stelde vast dat deze activiteiten minstens tien tot vijftien minuten hadden plaatsgevonden en dat alle betrokkenen elkaar kenden. Deze omstandigheden waren voor de rechtbank aanleiding om de situatie te kwalificeren als een sport- en spelsituatie.
In het aansprakelijkheidsrecht wordt bij sport- en spelsituaties een afwijkende beoordelingsmaatstaf toegepast. De reden daarvoor is dat deelnemers aan sport of spel doorgaans vrijwillig deelnemen aan een activiteit waarbij een verhoogd risico op ongelukken bestaat. Daardoor mogen zij van elkaar minder voorzichtig gedrag verwachten dan in een alledaagse situatie.
De rechtspraak erkent dat deelnemers in dergelijke situaties rekening moeten houden met fouten van anderen. Denk bijvoorbeeld aan slecht getimede manoeuvres, ondoordachte handelingen of onhandige bewegingen. Hierdoor ligt de drempel om onrechtmatigheid aan te nemen aanzienlijk hoger dan in het gewone verkeer.
In de besproken zaak betekende dit dat niet automatisch aansprakelijkheid kon worden aangenomen enkel omdat de bestuurder driftte. Het driften maakte immers deel uit van de gezamenlijke stuntactiviteiten.
Hoewel sprake was van een sport- en spelsituatie, bleef het juridisch kader van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek relevant. De rechtbank paste daarom de Kelderluik-criteria toe, maar wel in combinatie met de specifieke regels die gelden voor sport en spel.
De rechter stelde vast dat onduidelijk was hoe het ongeval precies was ontstaan. Er was wel bekend dat de BMW driftte en dat de motor richting de auto reed, maar de exacte rijbewegingen en snelheden van beide voertuigen konden niet worden vastgesteld. Ook was niet duidelijk hoe de botsing precies tot stand was gekomen, bijvoorbeeld of de auto naar links of naar rechts stuurde. Omdat deze feitelijke toedracht onvoldoende duidelijk was, kon niet worden vastgesteld dat de automobilist een specifieke onrechtmatige handeling had verricht die tot het ongeval had geleid.
Een belangrijk juridisch punt in deze uitspraak is de bewijslast. Degene die schadevergoeding vordert, moet voldoende concreet onderbouwen waaruit het onrechtmatige handelen van de wederpartij bestaat. In dit geval had de motorbestuurder volgens de rechtbank onvoldoende aangetoond dat de automobilist een fout had gemaakt die buiten het risico van de gezamenlijke stuntactiviteiten viel. Het enkele feit dat de auto driftte was daarvoor onvoldoende.
Binnen de context van de sport- en spelsituatie was dat gedrag namelijk te verwachten. Bovendien bleef de precieze toedracht van het ongeval onduidelijk. Daarom kwam de rechtbank tot de conclusie dat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een onrechtmatige daad. De vordering tot aansprakelijkheid werd afgewezen.
Een verkeersongeval waarbij sprake is van risicovol rijgedrag of een situatie met een spelelement kan juridisch ingewikkeld zijn.. Juist in dit soort situaties is een zorgvuldige juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden essentieel. Onze letselschade-experts analyseren voor u hoe het ongeval precies heeft plaatsgevonden en beoordelen of er ondanks de omstandigheden toch sprake kan zijn van aansprakelijkheid.
Wilt u weten of u recht heeft op schadevergoeding na een ongeval? Dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met een van onze specialisten. Twijfelt u of uw zaak juridisch haalbaar is? Doe dan eenvoudig en gratis onze letselschadetest. Binnen enkele minuten krijgt u inzicht in uw mogelijke rechten en vervolgstappen.