Door: André Rotte
Leestijd: 3 minuten
Wie denkt dat kinderen op de fiets in het verkeer geen juridische gevolgen kunnen veroorzaken, heeft het mis. Een al wat oudere uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2017:5303) maakt pijnlijk duidelijk dat ook minderjarigen bij onrechtmatig handelen serieuze schade kunnen aanrichten — en hun ouders met de juridische gevolgen blijven zitten. In deze zaak kreeg een negenjarig meisje op haar fiets de hoofdrol in een letselschadezaak die uiteindelijk ruim € 27.000.00 aan schade betekende voor het slachtoffer. Deze blog bespreekt de juridische kern van deze zaak, de relevante leerstukken en de lessen voor de praktijk.
De toedracht: een kind, een oprit en een over het hoofd geziene fietser
Op 27 augustus 2012 werd een vrouw op een fiets aangereden door een negenjarig meisje dat vanaf een oprit de weg op fietste. De vrouw liep ernstig letsel op: breuken aan schouder, bovenarm en rib, gevolgd door operaties, revalidatie en blijvende beperkingen. De ouders van het meisje werden als wettelijk vertegenwoordigers aangesproken voor de schade.
Een belangrijk twistpunt was de toedracht. Volgens de ouders liep het kind met de fiets aan de hand op de weg toen zij van achter werd aangereden. De vrouw stelde juist dat het meisje plots van links, vanaf een oprit, de weg op fietste — zonder te kijken en zonder voorrang te verlenen. Het was aan de rechtbank om te bepalen wie het geloofwaardigst was.
De bewijslast en geloofwaardigheid van verklaringen
De rechtbank legde het zwaartepunt op getuigenverklaringen. Hoewel de verklaring van het slachtoffer als partijgetuige op zichzelf beperkte waarde heeft artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd deze overtuigend ondersteund door verklaringen van haar echtgenoot, zus, zwager, werkgever en zelfs een supermarktmedewerker. Bijzonder was de opmerking van de vader van het kind, die zich presenteerde als “de vader van de dader” en tegenover derden verklaarde dat zijn dochter iemand “in de ziektewet had gereden”.
De rechtbank achtte deze keten van verklaringen betrouwbaarder dan de verklaring van de vader zelf, die gaandeweg een andere lezing van het ongeval ontwikkelde, waarin zijn dochter werd aangereden in plaats van dat zij zelf iemand had aangereden. Een getuige die dat zou bevestigen, kwam niet opdagen en bleek zelfs niet meer te traceren. De rechtbank concludeerde dat het meisje vanaf een oprit de weg opreed en geen voorrang verleende — en daarmee een onrechtmatige daad pleegde.
Aansprakelijkheid van ouders: artikel 6:169 Burgerlijk Wetboek
De rechtbank paste artikel 6:169 Burgerlijk Wetboek toe, dat bepaalt dat ouders aansprakelijk zijn voor schade veroorzaakt door een kind onder de veertien jaar. In combinatie met artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (onrechtmatige daad) stond hiermee de juridische aansprakelijkheid van de ouders vast. Een beroep op eigen schuld van het slachtoffer werd verworpen: er was geen bewijs dat het slachtoffer iets te verwijten viel.
Schadevergoeding: een overzicht
De materiële schade werd grotendeels toegewezen, waaronder:
De rechtbank onderbouwde dit laatste bedrag met de richtlijn, waarin een abstracte benadering van schade door mantelzorg wordt gehanteerd. Ook al nam haar echtgenoot veel taken over, dat betekende niet dat er geen schade was — het ging immers om wat professionele hulp zou hebben gekost.
De schade door “verplaatste schade” (vrije dagen van de echtgenoot) werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding (smartengeld) van € 7.500,00 toe. Daarbij werd gekeken naar de ernst van het letsel, het lijden en vergelijkbare uitspraken.
Toekomstige schade en het schaduwspel van onzekerheid
Op basis van medische rapportages, die waarschuwden voor mogelijke toekomstige slijtage van het schoudergewricht, verwees de rechtbank de zaak voor toekomstige schade naar een schadestaatprocedure. Een juiste stap, gezien het onvoorspelbare beloop van dit soort letsel.
De vrijwaringszaak: misgelopen verzekering en klachtplicht
In een parallelle vrijwaringsprocedure probeerden de ouders hun schade te verhalen op hun assurantietussenpersoon. De kern van hun klacht: er was geen aansprakelijkheidsverzekering afgesloten voor hun gezin, ondanks hun verwachting dat dit via een “alles onder één dak” verzekering wel zou zijn geregeld. De rechtbank wees de vordering af: er was te laat geklaagd, in strijd met de klachtplicht van artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek. De ouders waren immers al in september 2012 op de hoogte van het ontbreken van dekking, maar dienden pas in oktober 2015 formeel een klacht in. Dat was te laat.
Lering die uit deze uitspraak kunnen worden getrokken
Conclusie: aansprakelijkheid kent geen leeftijdsgrens
Deze uitspraak laat zien hoe een ogenschijnlijk klein verkeersincident grote juridische en financiële gevolgen kan hebben. De les voor ouders: denk niet dat de kleine op de fiets buiten schot blijft — zorg voor goede verzekering, en bovenal: leer je kind verkeersregels en als het toch mis gaat neem dan verantwoordelijkheid voor de gevolgen.